Ras:
Andere naam:
Friese krulhaar of otterhond
Oorsprong:
Nederland
Gehouden als:
Erf bewaker, gezelschapshond
Grootte:
De ideale maat voor reuen 59 cm en voor teven 55 cm.
Gewicht:
25 tot 32 kg
Kleur:
Zwart, zwart/wit, bruin en bruin/wit
Vachtsoort:
Stevige krullen, vacht voelt iets vettig aan.
Gem. Leeftijd:
10-12 jaar
Herkomst:
De oorsprong van de Wetterhoun, die al eeuwen lang in Friesland voorkomt,
is onduidelijk. De Wetterhoun vertoont, met zijn brede schedel, de wat grimmige
oogopslag en die typische astrakanvacht, nauwelijks enige gelijkenis met andere
honden. De Wetterhoun heeft iets totaal origineels, het is een ras apart! Gissingen
over de voorgeschiedenis vertellen ons dat zigeuners of zeelieden uit het Oostzee
gebied hem geïmporteerd zouden hebben. Over de naam bestaan ook verschillende
veronderstellingen; misschien gaat het gewoon over de 'waterhond' (want 'wetter'
is het Friese woord voor 'water'). De Wetterhoun kwam ook het meeste voor in
(waterrijke) lager gelegen streken van Friesland. De vachtstructuur maakt hem
zeer geschikt voor het buitenleven en waterwerk. Vooral voor de jacht op de
otter en de bunzing was deze moedige en geharde hond geschikt.
Gebruik:
Wat de Friese achtergrond en het gebruik betreft, vertoont de Wetterhoun
veel gelijkenis met die van de Stabij. De Wetterhoun is een veelzijdige werkhond,
die op 'huis en haard' past. Een "beer" van een hond, soms een tikkeltje onbehouwen,
maar een echte doordouwer. Een uitstekende kameraad en huishond, die zich sterk
hecht aan de huisgenoten. Ook als jachthond, mits goed en consequent getraind,
wordt hij gewaardeerd. Voor een goede conditie, zowel lichamelijk als emotioneel,
moet deze hond veel beweging worden gegund en moet hij veel buiten zijn.
Algeheel beeld:
Een eenvoudige hond, vanouds de hond voor de otterjacht, die
zonder plomp of log te zijn, fors gebouwd is. Een forsere, grotere en meer gedrongen
verschijning toont dan de Stabijhoun. Een hond, wiens huid goed gespannen is
en die dan ook geen keelhuid, noch hanglippen vertoont.
Aard:
Rustige hond met een onafhankelijk (eigenzinnig) karakter, enigszins gereserveerd
voor vreemden. Vriendelijk voor kinderen. Waaks en dus een ideale erfhond.
Hoofd:
Een "droog" hoofd, dat in verhouding tot het lichaam fors en krachtig
is. De snuit en schedel zijn even lang. De schedel is licht gewelfd en geeft
meer de indruk van breed dan lang. De schedel gaat met een lichte ronding over
in de wangen, waarvan de spieren matig ontwikkeld zijn. De overgang van de schedel
in de snuit (stop) gaat geleidelijk en wordt slechts in geringe mate aangegeven.
De snuit is krachtig en wordt maar weinig smaller naar de neus toe (zonder enige
schijn van spitsheid en goed afgeknot). De neus is recht, dus van opzij gezien
geen bolle en ook geen holle lijn tonend. Neusrug breed, neus goed ontwikkeld
met goed geopende neusgaten. De lippen goed gesloten (niet overhangend), een
krachtig en scharend gebit.
Oren:
De oren zijn vrij laag aangezet met een niet sterk ontwikkelde oorschelp,
zodat de oren goed gevouwen en zonder enige draai vlak tegen het hoofd worden
gedragen. De oren zijn middelmatig lang en hebben de vorm van een troffel. De
beharing is een typische eigenschap van het ras. Zij is gekruld, bij de basis
van het oor vrij lang en neemt naar beneden in lengte geleidelijk af, terwijl
het onderste 1/3 deel met kort haar is bezet.
Ogen:
De ogen zijn middelmatig groot, eirond, met goed aangesloten oogleden,
zonder bindvlies te laten zien. Zij liggen iets schuin in het hoofd, waardoor
de wat grimmige uitdrukking ontstaat. Zij puilen niet uit en liggen ook niet
diep. De kleur is donderbruin voor honden met een zwarte grondkleur en bruin
voor honden met een bruine grondkleur.
Neus:
Zwart voor de honden met zwarte grondkleur en bruin voor honden met een
bruine grondkleur. Niet gespleten en de neusgaten zijn goed geopend. Neusspiegel
goed ontwikkeld.
Hals:
De hals is kort, krachtig en rond in een zeer stompe hoek overgaand in
de ruglijn, zodat het hoofd doorgaans laag gedragen wordt. De hals is licht
welvend en geen keelhuid of wammen.
Borst:
Van voren gezien breed, meer breedte dan diepte tonend en daardoor staan
de voorbenen vrij ver van elkaar. De onderborst is gerond en reikt niet dieper
dan tot de ellebogen.
Lichaam:
Het lichaam is zeer krachtig. De ribben zijn goed gerond met goed ontwikkelde
achterribben. De rug is recht en kort met een weinig afvallend kruis. De lendenen
zijn krachtig en de buik is maar matig opgetrokken.
Staart:
De staart is lang, matig hoog gedragen en tot een spiraal opgerold,
gebogen over het kruis, zodat de spiraal naast het kruis komt te hangen.
Voorhand:
De schouder is goed aangesloten aan het lichaam. Het schouderblad
is schuin geplaatst en goed gehoekt. Benedenarm krachtig, goed recht, voorvoeten
recht, niet doorgezakt. De voeten zijn rond, tenen goed ontwikkeld en gebogen
met krachtige voetzolen.